‘Het Diemeltransport bracht talloze kinderen en volwassenen in WOII naar de regio Joure en Lemmer’

REGIO Velen kennen misschien het verhaal van Antoon Diemel de vrachtrijder bij Douwe Egberts in Utrecht, die Joodse kinderen uit Utrecht en omstreken naar Friesland bracht in de hongerwinter van 1944/45.

Door het Interkerkelijk Comité Joure werden kinderen uit de omgeving van Amsterdam en Utrecht naar Friesland gehaald. Sneek was de uitvalsbasis om die mensen onderdak te bieden in de provincie. Amateurhistoricus Arjen de Ree uit Joure beschrijft de geschiedenis ervan, evenals de persoonlijke oorlogsverhalen van zijn ouders. Hieronder zijn artikel.

Via de Landelijke Organisatie werden de mensen geplaatst. Betrouwbare mensen werden benaderd en er werd veelal plek gezocht bij de boerengezinnen, omdat daar gemakkelijker iemand kon worden verstopt. Plaatsing was echter niet zonder gevaar, want verklikkers lagen op de loer.

Vanuit de regio Utrecht kwamen de kinderen met het ‘Diemeltransport’ naar Friesland. In totaal werden 398 kinderen uit de regio Utrecht naar Joure overgebracht, waaronder ook eigen kinderen van DE-personeel van de Utrechtse fabriek.

Egbert D. de Jong van de Douwe Egberts fabrieken had contacten met de Landelijke Organisatie in Sneek en stelde personeel en auto’s beschikbaar om die kinderen op te halen, soms met de moeders erbij. Directeur Egbert D. de Jong - ‘mijnheer’ genoemd - was van katholieke komaf. Voor de ‘ontvangst’ van de kinderen werden lijsten bijgehouden met waar ze geplaatst werden. Die van de gemeente Doniawerstal is zoals het lijkt bij de fusie in 1984 kwijtgeraakt. De plaatsing van de Joodse kinderen bij mijn opa en oma moeten hierbij gezeten hebben.

Hongerwinter

In december 1944, aan het begin van de Hongerwinter, kreeg directeur Disse van het St. Antonius Ziekenhuis Sneek een noodbrief van de directeur van het Onze Lieve Vrouwen Gasthuis in Amsterdam, waar voor 1200 mensen geen voedsel meer was.

Directeur Disse zorgde in het grootste geheim, geholpen door bestuurslid Egbert Douwe de Jong (directeur van Douwe Egberts Joure) dat de Lemster veerboot met 60 ton(!) aardappelen, vet, meel-en peulvruchten naar Amsterdam kon varen.

Vanuit Utrecht werden vanaf november 1944 vanwege de honger kinderen naar Friesland en Groningen overgebracht. De blonde kinderen worden als ‘theesurrogaat’ naar Friesland en Groningen gebracht, de donkere kinderen naar Limburg als ‘koffiesurrogaat’.

Het kwam echter wel voor dat er kinderen met heel donker haar hier terechtkwamen, zoals onlangs te zien was in de documentaire ‘De terugkeer van de Joodse kinderen’.

Een zondagmiddag in april

Op een zondagmiddag in april was ik bij mijn ouders op visite, allebei geboren voor de Tweede Wereldoorlog. Mijn vader in 1932 en mijn moeder in 1934.

Mijn moeder woonde op de boerderij tussen Scharsterbrug en Sint Nicolaasga op de Scharren. Mijn vader woonde in Joure in een steegje van ’t Zand, nabij de Potterbakkerstraat.

De boerderij van moederskant was tegenover ‘Mink de melkrijder’. Mijn opa Arjen Minnema en oma Anna Meyerink, beiden katholiek, pachtten de boerderij van Douwe Egberts en werden ook gevraagd door Egbert Douwe de Jong of zij mensen konden opnemen en zij stemden uiteindelijk toe.

Op de grote boerderij was voldoende ruimte om kinderen en volwassenen te kunnen verstoppen. Het gezin bestond toen al uit vader, moeder en zes kinderen. In het voorhuis was een grote bedstee met daar onder ruimte om bijvoorbeeld aardappelen op te slaan.

Bedsteden

In de gang van de grote keuken naar de woonkamer waren ook bedsteden. Mijn moeder was het tweede kind en zes jaar toen de oorlog uitbrak en in 1944 dus 10 jaar, toen zij geacht werd om op de Joodse kinderen te passen en te verzorgen, want haar moeder had zelf weinig tijd.

In de beginjaren van de oorlog (mei 1940 tot eind 1943) werden door de Duitsers nagenoeg alle Joden in Friesland opgepakt en afgevoerd naar de doorgangskampen Westerbork en Amersfoort in Nederland om van daaruit verder getransporteerd te worden naar vernietigingskampen Auschwitz, Sobibor (vernietigingskamp) en Bergen-Belsen en Mauthausen werkkampen.

 

Moeder vertelt:

’s Morgens was het de kinderen wassen, aankleden en eten geven voordat ikzelf naar school kon. Rond het middaguur weer snel naar huis om de kinderen te verschonen en de voeden. Als oudste van de meisjes moest zij hard werken, zij had nog een oudere broer, die moest pa helpen met melken, kalveren voeren en dergelijk.

Er was altijd wel wat te doen op de boerderij en ook de onderduikers konden mee helpen tijdens het koeien melken, kalveren voeren en onder andere schapen melken, als er geen gevaar was.

Er waren in de boerderij twee grote bedsteden en er werd slaapruimte gecreëerd door er brede planken in te leggen. Dezelfde planken werden later op de dag gebruikt als men aan tafel kon.

Tussen twee stoelen kwam dan een plank om rond de grote keukentafel meer zitruimte te maken.

Geen namen onthouden

Mijn moeder heeft geen namen kunnen onthouden omdat het verloop nogal groot was en zij was nog maar 10/11 jaar oud was.

Wat haar wel goed is bijgebleven waren de Friese broers uit Joure, Matheus, Marten en Broer De Vreeze, die achter in het land in een hol ondergedoken zaten om niet te werk gesteld te worden in Duitsland maar die zaten er dan ook al langer.

Van de betonnen brug aan de Houtvaartweg gezien vanaf de Langweerderweg die toegang gaf tot het land van A. Minnema zat aan de overzijde onder de betonnen brug een holle ruimte, waar de vijf mannen zich konden verschuilen. Het is bijna niet voor te stellen in welke omstandigheid die mannen wekenlang zich moesten verstoppen voor de Duitsers.

Het hol lag tegen de Houtvaart aan nabij het hedendaagse camping Boornzwaag. Naast de drie broers waren er meestal nog twee anderen in/bij dit hol.

Dagelijks kregen zij van mijn moeder eten en drinken, zoals pannenkoeken of potstro. De potstro werd in een grote niet al te diepe pan met hengsel bereid. De ringen van de kachel werden dan verwijderd, zodat de gehele bodem door de warmte van de kachel verwarmd werd.

Al roerend moest het goedje (meel, boekweitmeel en spek/vet en stroop) bereid worden anders zou het aanbranden een zware klus voor een 10-jarige want het goedje werd stroperig dik.

In een akertje (emmertje dat bijvoorbeeld werd gebruikt om water uit een put te halen, red.) werd dat vervoerd en mijn moeder moest altijd langs de sloot naar achter lopen en net doen of zij opzoek was naar iets (kruiden) om eventuele Duitsers en verklikkers te misleiden.

Soms kwamen de onderduikers naar de boerderij als de kust veilig was, dat werd aangegeven door middel van een katoenluier gedaan of rode theedoek. Rood was onveilig. De boerderij was vooral en doorstroomplaats voor onderduikers. De onderduikers die achter in het land zaten waren meer ‘vaste bewoners’.

 

Moeder vertelt:

Na de oorlog heb ik de familie De Vreeze beter leren kennen als we elkaar tegen kwamen konden we ons verhaal kwijt dat jaren later nog grote emoties opriep. Die emoties waren meestal zeer heftig en duurde dan wel even voordat de De Vreezes tot rust kwamen.” De De Vreezes en de anderen hebben als het dan maar even kon ’s nachts in het hooi geslapen. Ik kan mij maar 1 naam herinneren van die 2 andere mannen en dat was een Marinus en kwam uit Amsterdam.

’t Zand

Vader geboren dus op de Jouwer in een steegje van ’t Zand nabij de Potterbakkerstraat naast de vermaarde Meinte Huisman oftewel Tipson.

Vader die dus in Joure woonde ging met leeftijdsgenoten vaak langs de Duitse soldaten die zich bijvoorbeeld op de Harddraversweg moesten opstellen in schuttersputjes.

 

 

Vader vertelt:

Ik was het achtste kind en het was een zware tijd voor mijn ouders de crisisjaren (1930-1940) waren eigenlijk nog niet voorbij. Mijn vader was metselaar en er was weinig werk. Hij deed allerlei klusjes zoals mollenvangen, nachtwaken bij een boerderij die afgebrand was. Vlak voor het uitbreken verhuisden wij naar de Bloemsteeg, daar waar het zeilschip van Douwe Egberts voor de wal lag.

De oorlog brak uit toen ik 8 jaar werd. Omdat de Duitsers de R.K. lagere school en het Theresiahuis hadden ingenomen heb ik les gehad op de Openbare school en waar nu het Museum is (oude fabriek DE). Dit was natuurlijk geen ideale situatie en waren daarom dan ook vaak vrij. Bij het verlaten van de schuttersputjes bleven soms de blikjes met munitie achter, dan werden deze in het schuttersputje geschopt en soms stond daar water in en dus was de munitie daarna onbruikbaar. Een gelijksoortig gebeurtenis op het schietterrein achter de school. Als de soldaten even in gesprek gingen werd de munitie in de bosjes geschopt.

De Duitse kapitein liet deze soldaten wel eens opdraven als zij wacht hielden in de schutterputjes aan de Harddraversweg. De Duitsers gingen naar het gemeente terrein achter de MULO om te sporten en schietoefeningen te houden. Als de Duitsers er niet waren er meestal wel kaartspelende mannen of piksjitten (soort van jeu de boules) en als er iemand met een bal was werd er gevoetbald. Op een dag wilden wij met ons clubje er gaan het spelen toen die Duitsers aan het oefenen waren. Wij zagen munitiehouders liggen en uiteindelijk hebben wij die subtiel in de bosjes gewerkt, vlak voor beëindigen van die oefeningen. Dit werd natuurlijk op den duur gevaarlijk om zich zo dicht bij de soldaten zich op te houden. De wat oudere jeugd waarschuwde ons daarvoor. Voor ons was het kattenkwaad uithalen met een voor ons gevaarlijk kantje.

Nawoord

Na al die jaren ben ik als amateurhistoricus dan ook voldaan dat mijn ouders dit aan het papier wilden toevertrouwen, want het viel hen zwaar om er over te vertellen. De harde tijd heeft hen gevormd en naar omstandigheden hebben zij er wat van gemaakt binnen de mogelijkheden. Wat zij hebben meegemaakt in hun jeugdjaren heeft ook mij deels gevormd.

Daarom wilde ik zo graag dat naast al die hard verscheurende verhalen en beelden die er al zijn, ook graag dat mijn ouders door er over te praten en te schrijven enige verwerking van die periode konden krijgen.

Het geeft mij inzicht over mijn opvoeding die ik van hen heb mogen krijgen. Oké ik zal niet op alles een antwoord krijgen maar dat hoeft ook niet, het is goed zo! Opdat wij nooit zullen vergeten!

(Tekst Arjen de Ree, amateurhistoricus)