Recensie | Pieter de Hooch en Nicolaes Maes - getalenteerder dan gedacht - in fraaie overzichtstentoonstellingen

JOURE – Dit jaar gedenken meerdere musea het themajaar ‘Rembrandt en de Gouden Eeuw’ door aan schilders, die nog nooit eerder zo expliciet in de schijnwerpers hebben gestaan, een expositie te wijden.

In Museum Prinsenhof Delft loopt t/m 16 februari 2020 de tentoonstelling ‘Pieter de Hooch in Delft. Uit de schaduw van Vermeer’. In Den Haag loopt in het Mauritshuis t/m 19 januari 2020 de tentoonstelling ‘Nicolaes Maes – Rembrandts veelzijdige leerling’. 

Naast de boeiende catalogi is er zelfs een kinderboek verschenen dat op zeer integere wijze leven en werk van Pieter de Hooch verbeeldt: ‘Isabella Boem en de schilder Pieter de Hooch’.  

Anita Jansen (eindred.) & diverse medewerkers: ‘Pieter de Hooch in Delft’. (Hc.) W Books. ISBN 978 94 625 8327 6.

Pieter de Hooch is na Vermeer de beroemdste Delftse zeventiende-eeuwse meester en een van de grootste kunstenaars van de Gouden Eeuw. Schilderijen van beide meesters zijn in de loop der eeuwen nogal eens aan elkaar toegeschreven. Ook Vermeer was gefascineerd door licht, perspectief, interieurs en binnenplaatsen. Door de enorme populariteit van Vermeer raakte Pieter de Hooch min of meer “op de tweede plaats”.

Multidisciplinair onderzoek dat sinds 2017 werd verricht en vooraf zou gaan aan de tentoonstelling leerde ons nieuwe inzichten over de schilder, zijn werkwijze en zijn techniek.

De tentoonstelling bestaat uit 29 schilderijen van over de hele wereld, een staalkaart, die de hele levensloop van Pieter de Hooch bestrijkt. Van het vroege werk en zijn Delftse periode, tot zijn latere interieurs van de rijke Amsterdamse burgerij.

Pieter de Hooch werd in 1629, toen de Tachtigjarige Oorlog nog aan de gang was, in Rotterdam geboren in het gezin waarvan de ouders metselaar en vroedvrouw waren. Hij trok naar Delft omdat daar een afwisselend artistiek klimaat was. Delft, de stad, die in 1654 te lijden had van de ontploffing van het kruitmagazijn waardoor de stad totaal van aangezicht veranderde.

De onderwerpskeuze 

In het begin legde De Hooch zich vooral toe op het soldatenleven, een hot item ten tijde van de oorlogsvoering. Drinkende soldaten, trompetspelers en olijke officieren maakten op de doeken de dienst uit.

Toen deze werken minder geliefd werden, legde De Hooch zich toe op interieurs waarin hij dienstmeisjes, moeders, de vrouw des huizes én kinderen opvoerde. Tegelvloeren, openstaande ramen,  en doorkijkjes zouden zorgen voor levendige schilderijen, genreschilderijen, die een verhaal uitbeeldden. Zijn kleurpalet was warm, mede dankzij het gebruik van veel rode en roodbruine tinten.

Hij trouwde Jannetje van der Burch, die hem zeven kinderen schonk. Rond 1660 verhuisde het gezin naar Amsterdam waar hij zich een aanzienlijke woning kon aanschaffen en in contact kwam met de Amsterdamse burgerij. Zijn doeken kregen een groter formaat, toonden rijkere bewoners in hun interieurs, maar waren donkerder van opzet. Hoewel het niet helemaal zeker is, gaat men ervan uit dat hij in 1684 in het Amsterdamse Dolhuis (het 'gekkenhuis') op de Kloveniersburgwal is overleden.

Ging men er eerder van uit dat Pieter de Hooch zich liet inspireren door Johannes Vermeer, momenteel denkt men aan een wisselwerking. Vermeer zou qua onderwerpskeuze en indeling van de schilderijen ook wel eens door Pieter de Hooch beïnvloed kunnen zijn!

Een unieke tentoonstelling, ondersteund door een uitgebreide overzichtscatalogus, die leven en werk van De Hooch op sprankelende wijze tot leven brengt! 

Margje, Sjoerd Kuyper (tekst) & Martijn van der Linden (tekeningen): ‘Isabella Boem en de schilder Pieter de Hooch’. Rubinstein. ISBN 978 90 476 2728 9.

Wanneer op twaalf oktober 1654 het Delftse kruitmagazijn ontploft, is de stad één smeulende puinhoop geworden. Te midden van het puin zit een meisje van ongeveer anderhalf jaar in een kinderstoel, terwijl ze brabbelt: ‘Boem’. Ze is een weeskindje geworden dat liefdevol geadopteerd wordt. Met ‘oompje’ Pieter de Hooch trekt ze er regelmatig op uit, wanneer deze het verwoeste en vervolgens herrijzende Delft gaat schilderen. De lezer krijgt een goed inkijkje op het leven in de Gouden Eeuw doordat De Hooch schildert en Isabella ‘Boem’ op plaatsen komt, die de schilder op zijn doeken tot leven ging wekken.

Tekenaar Martijn van der Linden is er fantastisch in geslaagd de sfeer van Delft van eertijds weer te geven. Door die andere fantastische schilder op te voeren, Johannes Vermeer, die “het straatje” gaat schilderen, zijn plotsklaps beide groten van de schilderkunst verenigd. Een prima idee van Margje en Sjoerd Kuyper, die met dit boekje één van de leukste Gouden Boekjes hebben afgeleverd van de laatste tijd! Kinderen kunnen niet vroeg genoeg met kunst in aanraking komen! Sonja van Hamel nam de prettige vormgeving voor dit deeltje voor haar rekening.

Ariane van Suchtelen (eindred.) & diverse medewerkers: ‘Nicolaes Maes’. (Sc.) Mauritshuis Den Haag i.s.m. Waanders Uitgevers Zwolle. ISBN 978 94 6262 264 7. 

In de negentiende eeuw belandde een groot deel van de mooiste genrestukken van Nicolaes Maes in het Verenigd Koninkrijk. Slechts weinig schilderijen van deze Dordtse schilder zouden in Nederlands bezit blijven. Zowel de tentoonstelling als de catalogus willen Nicolaes als het ware rehabiliteren. Niet voor niets geldt hij als één van de meest getalenteerde leerlingen van Rembrandt.

Nicolaes (1634) was het tweede kind van lakenhandelaar en zeepzieder Gerrit Maes en zijn vrouw Ida Herman Claesdr. Waarschijnlijk in de jaren 1646 -1652 leerde hij “de schilderkonst” bij Rembrandt in Amsterdam.

In 1654 trad Nicolaes in het huwelijk met weduwe Adriana Brouwers. Vier jaar later kocht hij in Dordrecht een huis dat hij deels afbetaalde met een door hem geschilderd groepsportret. Van de kinderen overleefden drie meisjes en een zoon uit Adriana’s  eerste huwelijk: Justus. Al snel werd Nicolaes een geliefd schilder, die het voor de wind ging. Hij kon zelfs een tweede huis kopen! 

In 1673 maakten Nicolaes Maes en Jacobus Leveck, ooit ook een leerling van Rembrandt, als respectievelijk luitenant en vaandrig deel uit van de Dordtse schutterij. Datzelfde jaar verhuisde Maes naar Amsterdam waar hij tot zijn dood in 1693 zou blijven wonen en werken. Zijn woningen in Dordrecht deed hij in de verhuur.

Bij zijn dood liet hij zijn kinderen ruim 11.000 gulden na, drie huisjes in Amsterdam en enige huizen in Dordrecht.

Werk

Maes liet een rijk en gevarieerd oeuvre na van onder anderen Bijbelse taferelen, genrevoorstellingen van het leven van alle dag, en portretten in alle soorten en maten.

Als genreschilder beïnvloedde hij met zijn doorkijkjes collega-schilders als Pieter de Hooch en Johannes Vermeer. Vanaf 1660 waren het vooral portretten waarmee hij de kost verdiende, zo’n zevenhonderd in totaal.

Op de tentoonstelling, die vorig jaar in het Fries Scheepvaartmuseum in Sneek gehouden werd: ‘Jacob Benckes en zijn wereld’ waren replica’s van schilderijen van Maes te bewonderen: zeeheld Jacob Benckes en zijn verloofde Ingena Rotterdam. Het ‘Metropolitan Museum of Art, New York’, had destijds de originele houten lijsten in onderhoud, zodat zowel de museummedewerkers als de auteur van het museumboek ‘Verzwegen zeeheld’, Jan de Vries, het daarmee moesten doen. 

Naast genrestukken van onder meer kantklosters, moeders met kinderen, mensen in gebed, en melkverkoopsters zou Nicolaes Maes zich op de kaart zetten als de schilder van ‘luistervinkjes’. Het zijn met name vrouwen, die we op een trap of in een nis zien, terwijl ze luisteren naar wat anderen, meestal geliefden (!) elkaar toefluisteren.

Het bijbehorende en onafhankelijk te lezen boek én de expositie tonen ons een van de meest vernieuwende schilders in de Nederlandse kunstgeschiedenis uit de zeventiende eeuw. De samenstellers van de tentoonstelling alsmede de auteurs van het boek en de vormgever hiervan, Gert Jan Slagter, hebben een boek samengesteld waarvan we nog lang kunnen nagenieten!

Koos Schulte