Lemster skûtsje gaat voor hoogste plek op podium

Lemmer - Albert Visser gaat zijn zesde seizoen als schipper van het Lemster Skûtsje in. Vorig jaar bleef de Lemster steken op de vierde plek. De hoogste plek op het podium moet het worden dit jaar ‘want Lemmer heeft het verdiend’. Aan boord zijn dit jaar een paar veranderingen. Vier bemanningsleden zijn vertrokken. Na tien jaar maakte onder andere de schotenman de overstap naar Heerenveen.

Lemmer ‘Jammer, maar ik begrijp zijn keuze’, zegt Visser. ‘Hij wilde in de leer bij een ander.’ Drie crewleden kwamen ervoor terug waarvan twee opstappers dit jaar: zijn zoon Douwe, die weliswaar al 13 jaar bij Albert zeilt maar nu in verband met werk een jaar te weinig trainingen bij kan wonen, en Lemster ijsmeester Beert Boomsma. Die laatste voer in 2016 ook al mee als opstapper.

Hoopvol

Aan het schip zelf is voor dit seizoen weinig veranderd. Alleen de fok is vervangen. Eén wedstrijd heeft Visser ermee gezeild. De test was bij de middagwedstrijd Proloog in Lemmer. ‘Ik ben hoopvol’.

Het doel is kampioen worden

De in totaal vijftien bemanningsleden moeten zich dit jaar naar het kampioenschap varen. Dit zagen ze vorig jaar net aan hun neus voorbijgaan. Twee punten stonden ze achter op Grou, maar door een slechte start in de laatste wedstrijd, waren de kansen snel verkeken. De start is daarom hetgeen wat de schipper nu volop traint. ‘Vorig jaar hebben we goed gezeild, maar bij de start hebben we het laten liggen. Hier valt nog winst te behalen. Hier hebben we nu redelijk op getraind, maar trainen en de wedstrijd zelf zijn twee verschillende dingen. De winst hangt van zoveel factoren af. Het schip loopt hard en ik heb alle vertrouwen in de bemanning. We zijn nu zeker kanshebber. We hebben maar één doel en dat is kampioen worden. Punt uit. Vierde ben ik al zo vaak geweest. De eerste keer is wel leuk, maar de vijfde keer niet meer. Ik zal heus niet chagrijnig worden, maar ik wil weleens op het podium staan.’

Geluk afdwingen

Visser is een ervaren man. Negen jaar was hij schipper op het skûtsje van Drachten, daarvoor was hij bemanningslid op de Sneker Pan. Als schipper op het Lemster Skûtsje werd hij tot nu toe drie keer vierde, één keer achtste en één keer vijfde. Het doel dit jaar is daarom het kampioenschap. ‘Daar is het nu weleens tijd voor. Ook voor Lemmer zelf. De laatste keer dat Lemmer kampioen was, was in 1988. Alles moet op zijn plek vallen. Geluk kun je ook afdwingen.’ Vorig jaar deed Visser een voorspelling over de top vier. Hij had alle kanshebbers goed. Nu spreidt hij zijn kansen over zeven skûtsjes: Grou, Heerenveen, Huizum, Leeuwarden, Akkrum, Earnewâld en zichzelf. Zijn voorspelling baseert hij op het voorseizoen. ‘Ze hebben allemaal goed gezeild. Ik kijk ook een beetje naar de schippers. Het zijn allemaal mannen met veel ervaring.’

Onderdeel van een team

Visser heeft een team om zich heen verzameld waar hij alle vertrouwen in heeft. Het is een hechte groep. Zonen Jasper, Stefan en Douwe varen alle drie mee. Beert Boomsma is voor dit seizoen gevraagd door Visser om aan boord te stappen. De ijsmeester van onder andere Thialf probeert er zoveel mogelijk te zijn. ‘Hij is goed op het skûtsje. Die wil ik er graag bij hebben. Er zijn zat jongens te krijgen. Maar ze moeten wel in mijn visie passen.’ Dat zijn ze niet altijd geweest. Visser accepteert geen flauwekul. ‘Je moet op tijd zijn want je bent onderdeel van een team. Er kan altijd wat zijn met ziekte, familie of werk. Maar je hebt jongens die hun best doen om er te komen en je hebt jongens die hun best doen om er niet te komen. Die moet je eruit filteren. Die houden het proces tegen. Met het team omgaan is een van de moeilijkste dingen.’

Laatste jaar als schipper?

Tien jaar zeilt Visser niet meer door (de Pampus is al gekocht), maar wanneer hij gaat stoppen durft hij nog niet te zeggen. ‘Misschien als ik nu laatste word, dat ik dan ermee ophoud. Nee, vast niet als ik eerste word. Dat smaakt naar meer’, lacht hij. Zijn vrouw Mieke zeilt dan niet mee, maar is volgens Visser een cruciaal onderdeel in het geheel. ‘Ze is alles’, zegt hij. Mieke wil er niets van weten: ‘Ach, dat is onzin’. Albert: ‘Als jij niet achter mij zou staan, dan kan ik wel ophouden.’

Helmhout

Het zeilen levert het echtpaar een hoop plezier op. ‘Je moet niet in geld denken in deze sport. Het heeft ons minstens een huis gekost. En wat is geld? Je kunt niets meenemen.’ Mieke: Het is onze eigen keuze. Zolang als wij er plezier in hebben, dan ga je ervoor. Als dat weg is, of dat ik er geen plezier meer aan beleef, dan kun je dat ook niet opbrengen.’ Albert: ‘Ik heb weleens wrijving gehad met bemanningsleden waarna ik wilde stoppen. En Mieke zei toen: en ik dan? Ik vind het nog wel mooi.’ Mieke: ‘Hij heeft weleens een periode gehad dat hij besloot dat het zijn laatste jaar is. Ik heb er geen zin meer in. Wacht maar tot je het helmhout weer beet hebt, zeg ik dan. Op het moment dat hij weer begint met zeilen, dan vindt hij het weer zo mooi. De ploeg loopt weer, het is weer gezellig en dan zit je weer met die jongens. Ik vind het heel waardevol dat die drie jongens van ons aan boord zitten. Het is een passie die je samen hebt. Het is iets wat ons allemaal bindt. In welke sport heb je dat nou? Dat je kunt zeilen met je zwager, schoonvader, oom, neef en/of zoon? Dat is toch geweldig?’

Brenda van Olphen