Recensie | Interieurs van herrijzend Nederland 1940-65

Joure - De Open Monumentendagen trekken ieder jaar drommen toeschouwers. Ook de interieurs van het recente erfgoed uit de tijd van wederopbouw (1940-1965) worden hierin vaker betrokken.

Een getuigenis van de opkomst van de welvaartsstaat, bereikt door hard werken en een centrale sturing van de overheid. Diezelfde welvaart zorgt er voor dat de oorspronkelijke interieurs uit die jaren nu in hoog tempo verdwijnen of van aanzien veranderen. Wie geld ter beschikking heeft, wil immers regelmatig veranderingen zien in zijn leefomgeving.

Niet alleen woonhuizen veranderen in- en uitwendig, maar ook raadhuizen, scholen, kerken en kantoren. Denk daarbij bijvoorbeeld aan wisselende verwarmingsinstallaties, een vervanging van de meubelen of van de oorspronkelijke stoffen bekleding. Zelfs kunstwerken uit die jaren moeten het soms ontgelden! De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed wil zodoende een groter bewustzijn bevorderen voor de cultuurwaarden van het recente erfgoed. De Erfgoedwet uit 2016 kan zodoende goede diensten bewijzen.

De tentoonstelling ‘Rijke eenvoud. Interieurs & objecten uit de wederopbouw’ in het Van Eesterenmuseum te Amsterdam sluit dan ook perfect aan bij het hier aan te halen boek: ‘Interieurs van herrijzend Nederland 1940-65’. De tentoonstelling loopt tot en met 5 mei 2019.

Marieke Kuipers (red.): ‘Interieurs van herrijzend Nederland 1940-65’. Uitgeverij WBOOKS Zwolle. ISBN 978 94 625 8217 0.

Een geleidelijk toenemende welvaart

Na de Tweede Wereldoorlog waren er in ons land ruim honderdduizend woningen en honderden boerderijen verwoest, evenals bruggen en stations. Zodoende was er een groot gebrek aan betaalbare huurwoningen, hout en betonijzer, geschoolde bouwvakkers en gemotoriseerd transport. Alles ging ‘op de bon’ voor de explosief groeiende bevolking dankzij de ‘babyboomers’ en de repatrianten uit de overzeese kolonies. De Marshallhulp in de jaren 1948-1952 en de gasvondst bij Slochteren zorgden voor toenemende welvaart, die mede zichtbaar werd door de meer dan twee miljoen woningen die er in de periode 1945-1965 gebouwd werden. In het kader van het landelijk spreidingsbeleid werd vestiging van nieuwe industrieën gestimuleerd in - wat men toen noemde – achtergebleven regio’s. Verwoeste industrieën en havens werden groter en geavanceerder herbouwd dan ze ooit geweest waren!

Het nieuwe wonen

Vanaf 1949 werden duplexwoningen gebouwd, met ‘tijdelijk’ gesplitste woonlagen voor twee of drie kleine gezinnen boven elkaar. Als de woningnood voorbij was kon van alles één volwaardige woning worden samengesteld. De praktijk zou overigens anders uitwijzen! De gesubsidieerde woningbouw moest voldoen aan de eisen van het Rijk, waarbij portiekflats, galerijflats en duplex- en rijtjeswoningen de dienst zouden gaan uitmaken. Later zouden flatblokken verhoogd worden en bij hoogbouw van zes en meer verdiepingen werden liften verplicht. Er kwamen standaardmaten voor de breedte van deuren, de hoogte van verdiepingen en de helling van trappen. Efficiëntie en kostenbesparing waren belangrijker dan esthetiek. Nieuwe woonwijken ontstonden en kleine plaatsen werden ineens groter door de industrialisatie, zoals Emmen. Desondanks hield de woningnood aan, zowel kwantitatief als kwalitatief. De trek van het platteland naar de stad verhoogde de woningnood des te meer!

Het interieur

Modern meubilair kwam op de markt en daarmee merkmeubelen en nieuwe materialen. Ook nieuwe meubeltypen kwamen opzetten zoals losstaande kastelementen en multifunctionele wandmeubelen. Qua kleur werd alles na de oorlog lichter, wit voor het plafond en pasteltinten voor de wanden. Linoleum werd meer en meer in gebruik genomen. Ook de zonwering met lamellen zou alom bekend worden. In 1946 richtten enige binnenhuisarchitecten de Stichting Goed Wonen op: de inrichting moest ruimte laten voor de mens. Middels publieksvoorlichting kreeg de consument van alle kanten informatie en beelden aangereikt over modern en smaakvol wonen. Vaak richtten tijdschriften, boeken en reclames zich tot de huisvrouw, die immers traditioneel bepaalde welke meubels, stoffering en woonaccessoires in huis kwamen. Toonzalen, gemeubileerde woningen, films en cursussen werden ingezet om het publiek winkels, de opkomende warenhuizen en musea in te lokken.

Het nieuwe winkelen

Na de afschaffing van de distributiebonnen voor levensmiddelen, verschenen er naast de traditionele ‘toonbankwinkels’ de eerste supermarkten met zelfbediening. In 1953 werd de Rotterdamse Lijnbaan geopend, het eerste winkelcentrum met verkeersvrije winkelpromenade en aaneengesloten winkelpanden zonder bovenwoningen. Binnen- en buitenland zouden dit vooruitstrevend concept vervolgens gaan toepassen.

Ontwikkelingen binnen openbare gebouwen en kerken

Voor de opbouw van de verzorgingsstaat groeide het ambtenarenapparaat in hoog tempo en daarmee de huisvesting ervan. Dat werd zichtbaar in nieuwe ministeries, provinciehuizen, raadhuizen, stadskantoren, belastingkantoren, enzovoorts. Hier werd monumentale kunst aangebracht zoals fresco’s, waarbij diverse materialen zoals de afwerkingsmaterialen, lak, verf en pleister in het zicht kwamen naast de stofferingsmaterialen zoals hout of natuursteen. Het is interessant dat De Gereformeerde Sionskerk uit Heerenveen-Oudeschoot met de grote glazen ramen van Frits Klein, voorstellend Ellende, Verlossing en Dankbaarheid uit 1965 en de Provinciale Bibliotheek, nu Tresoar in Leeuwarden uit 1966, uitgebreid aandacht krijgen binnen alle gebouwen, die opgevoerd worden als zijnde voorbeelden uit de tijd van wederopbouw.

Comfort

Wat ook steeds belangrijker is geworden: comfort. Stichting Bouwcentrum organiseerde diverse tentoonstellingen waarin nieuwigheden op het gebied van verwarming en verlichting werden gedemonstreerd. Vele nieuwe huishoudelijke apparaten verschenen op de markt en de centrale verwarming deed haar intrede. Ook voor de arbeidersklasse zouden deze nieuwe verworvenheden bereikbaar worden.

Nieuwbouw van scholen

Na de bevrijding hernam het schoolleven weer zijn gang, al was het aanvankelijk veelal in noodscholen. Nieuwe scholen moesten er komen, alleen al gezien het aantal ‘babyboomkinderen’. Door middel van standaardplattegronden en systeembouw werd geprobeerd de kosten te drukken waarbij het rijk optrad als medefinancier voor de scholen ongeacht de identiteit.

Een bewogen tijdsbeeld

‘Interieurs van herrijzend Nederland 1940-1965’ biedt een schatkamer van diverse interieurs uit die jaren, van ministeries tot klaslokalen en van winkels tot doorsnee woonkamers in rijtjeshuizen. Thematisch worden de interieurs en gebouwen in hun context geplaatst, waarbij plattegronden, folders uit die tijd, posters, reclameadvertenties en veel foto’s ter ondersteuning dienen. Zij, die deze jaren bewust hebben meegemaakt zullen veel herkennen. De generatie van nu zal, wie weet, onder de indruk raken van de vele fresco’s, mozaïeken, wandschilderingen en reliëfs die destijds in de openbare gebouwen werden gerealiseerd.

Een schitterend kijk- en leesboek, uitstekend geredigeerd door Marieke Kuipers, waarvoor tal van mensen tekstbijdragen hebben gerealiseerd over een tijd waarin dadendrang het oude terzijde schoof om plaats te maken voor nieuwe verworvenheden waarvan iedereen zou gaan meeprofiteren!

Koos Schulte