Recensie | Realisme en fantasie: ‘Lief en leed op schilderijen uit de zeventiende en achttiende eeuw’

JOURE

Dat op schilderijen uit de zeventiende en achttiende eeuw de realiteit vaak geweld aangedaan wordt, is al lang bekend. Dat er echter ook in familieportretten vaak een loopje genomen werd met de werkelijkheid, is veel minder bekend en nu uitgebreid te zien is op de tentoonstelling in Rijksmuseum Twenthe in Enschede.

Rudi Ekkart & Claire van den Donk: ‘Lief en leed. Realisme en fantasie in Nederlandse familiegroepen uit de zeventiende en achttiende eeuw’.

Waanders Uitgevers, Zwolle. ISBN 978 94 6262 193 0.

Zoals tegenwoordig met behulp van het zogenaamde fotoshoppen foto’s kunnen worden bewerkt, zo werd dat ook in vroeger tijden al gedaan in de schilderkunst uit de zeventiende en achttiende eeuw. Een kromme neus werd rechtgezet, een moedervlek weggewerkt, enzovoort. Toen Rijksmuseum Twenthe in 2014 onderzoek deed om een tentoonstelling te realiseren over familieportretten waarin figuren waren verwijderd, ontstond het idee een tentoonstelling te organiseren over portretten ‘waarmee iets aan de hand was’. De experts op dat gebied, de conservators Rudi Ekkart en Claire van den Donk gingen zich zodanig in de materie verdiepen dat ze ontdekten dat het weergegevene vaak niet klopte: identificaties en dateringen van de portretten kwamen zelfs op losse schroeven te staan. Onder het motto: “Kijk maar, je ziet niet wat je ziet…” hebben beide gastcuratoren stad en land afgereisd om zowel in musea als bij particulieren portretten op te sporen waarop een “curieuze draai” voor komt.

De selectie

Zowel levensgrote portretten als groepen op een kleiner formaat, variërend in kwaliteit, van charmante tot erg hoogwaardige kunstwerken, zijn op de tentoonstelling en in de uiterst zorgvuldig samengestelde catalogus te bewonderen. Zo zijn er schilderijen waarop een familie voorkomt, waarvan sommige leden al lang overleden waren. Een voorbeeld is het schilderij van Abraham Lambertsz, dat afkomstig is uit het Fries Museum, waarop prinses Albertina Agnes staat met haar kind Sofia Hedwig, dat ten tijde van het schilderen al lang niet meer in leven was. Overledenen dragen vaak kledij, die nog niet eens bestond tijdens hun leven. Ook de achtergrond klopte niet altijd met de realiteit: tuinen, parken, kastelen, buitenhuizen, die grandeur opriepen, maar slechts dienden om de familie “status” te geven. Soms liet de schilder een vrouw zitten, om te verhullen dat zij langer was dan haar man… Overleden kinderen werden vaak afgebeeld als engeltjes…

Ook meerdere generaties van een bepaalde familie bijeen zijn veelal een onmogelijkheid, zoals die van het regentengezin Pauw, daar de leden nooit bij elkaar gezeten kúnnen hebben omdat de periode honderd jaar besloeg. Wanneer er gezinsuitbreiding kwam, werd de pasgeborene soms bijgeschilderd op een al bestaand familieschilderij. Op familieportretten komen soms bedienden voor van zwarte komaf: moren. Soms waren die niet eens werkzaam bij een gezin, maar werden ze er bij geschilderd om de familie allure te geven… Wanneer een kind trouwde werd het soms ook met de gade op een al bestaand schilderij toegevoegd, zoals op een schilderij van Tibout Regters van de familie Momma duidelijk waarneembaar is.

Zowel op de tentoonstelling als in de uitvoerige tentoonstellingscatalogus, zijn de schilderijen in al hun pracht en voorzien van uitstekende commentaren te bewonderen. De tentoonstelling loopt nog tot en met 6 januari 2019 in Rijksmuseum Twenthe (Enschede)

Tekst: Koos Schulte