Recensie | Toegewijde tentoonstellingen in Leeuwarden en Den Haag

Joure

Waarschijnlijk de eerste keer dat ik écht met het werk van Maurits Cornelis Escher in aanraking kwam, was toen ik in 1969 de eerste lp van de Britse band ‘Mott The Hoople’ (Island ILPS 9108) onder ogen kreeg.

De uitklaphoes in warm pastel was vormgegeven naar de lithografie ‘Reptielen’, uit 1943: enige kaaimannetjes die tot leven komen, weer in de vlakvulling terugkeren, en vervolgens weer tot actie overgaan. Een prachtig perpetuum mobile. 

Nu maakt deze lithografie op papier deel uit van de tentoonstelling ‘Escher op reis’, die momenteel gehouden wordt in het Fries Museum te Leeuwarden. Meer dan tachtig originele prenten en twintig tekeningen nemen de kijker mee naar de Méditerranée, de bakermat van Eschers artistieke ontwikkeling.

Hoe anders is de tentoonstelling ‘Onder de toonbank, pornografie en erotica in de Nederlanden’ in Museum Meermanno, het oudste boekenmuseum ter wereld (!) in Den Haag. 

Toen baron Willem Hendrik Jacob van Westreenen van Tiellandt in de vroege negentiende eeuw het statige pand bewoonde, zal hij nooit hebben kunnen bevroeden wat voor diverse boekuitgaven ooit deel zouden uitmaken van de daar ontstane collectie, dan wel daar tentoongesteld zouden worden. 

Hoe divers beide tentoonstelling ook mogen zijn, feit is dat schitterende catalogi als neerslag daarvan menige boekenkast zullen vullen.

Federico Giudiceandrea: ‘Escher op reis. Escher’s Journey’. W.BOOKS – Stichting Het Fries Museum. ISBN 978 9462 5827 50. 

Maurits Cornelis Escher werd in 1898 geboren in het voormalige paleis van Maria-Louise van Hessen-Kassel te Leeuwarden, dat in de negentiende eeuw opgedeeld zou worden in drie woonhuizen. Momenteel is het pand het onderkomen van Keramiekmuseum Princessehof. In 1903 vertrekt het gezin van George Arnold Escher, waterbouwkundig ingenieur, naar Arnhem.  De jonge Escher (1898-1972) zou zijn geboortehuis nooit meer terugzien. Nu is hij terug in het kader van de Culturele Hoofdstad van Europa naast de drie overige culturele iconen, die de stad eens voortbracht: Alma-Tadema, Mata Hari en Saskia van Uylenburgh.

Waarschijnlijk is Eschers werk beroemder dan de kunstenaar zelf. Zowel in het boek als op de tentoonstelling reizen we met de kunstenaar mee, in zijn hoofd en door Europa. In veel landen zou hij neerstrijken dan wel gaan wonen: Italië, Spanje, België, Zwitserland en Nederland.

Na zijn studie aan de School voor Bouwkunde en Sierende Kunsten in Haarlem zou hij daar werk vinden als graficus. Omdat hij niet de erkenning kreeg waarop hij gehoopt had, maakte hij met twee vrienden een reis naar Midden- en Noord-Italië, op zoek naar inspiratie. Een reis, die hij ervoer als “een droom, die onmogelijk werkelijkheid kon zijn…” Na zijn terugkeer in Nederland kon hij zijn draai nog steeds niet vinden. Hij vertrok weer naar Italië waar hij in 1923 zijn latere echtgenote Jetta Umiker, de dochter van een Zwitserse industrieel leerde kennen. Met haar zou hij zich in Rome vestigen, waar hij kennis maakte met verschillende vroeg-twintigste-eeuwse kunststromingen. 

Zijn mecenas Godefridus Johannes Hoogewerff stond erop dat hij colleges kunstgeschiedenis zou volgen. Hoogleraar Venturini is er debet aan dat hij zich buitengewoon zou gaan interesseren voor de rijke (middeleeuwse) architectuur waar Italië van vergeven is. De architectuur, die we in de neerslag van Eschers werk steeds zullen terugzien…

Financieel ondersteund door zijn vader richt hij na de studie zijn woonhuis en atelier in Rome in. Zijn productie van houtsneden, en lithografieën neemt toe, er volgen exposities en daarmee komt zijn succes op gang. In 1935 zegt hij Italië vaarwel vanwege het fascisme van Mussolini om na veel omzwervingen uiteindelijk  vanaf 1941 in Baarn neer te strijken. Gaandeweg wordt zijn werk mathematisch zo gecompliceerd dat vlakvullingen tot leven lijken te komen, er oneindigheid lijkt te ontstaan in zijn grafische werk, en spiegelingen, Mediterraans aandoende bouwwerken en een constant spelen met perspectivische lijnen de kijker voortdurend op het verkeerde been doen zetten. In de jaren vijftig lijkt de wereld van Jeroen Bosch regelmatig terug te keren in zijn werken. Door het maken van herdrukken, zijn correspondentie, de tentoonstellingen, enzovoorts, neemt zijn productie in de jaren zestig af. De laatste tien jaar van zijn leven maakt hij slechts tien nieuwe prenten! Na diverse zware operaties belandt de kunstenaar in 1970 in het Rosa Spier Huis in Laren. In 1972 overlijdt hij in het Hilversumse Diaconessenhuis.

De catalogus met alles wat tentoongesteld is, sluit feillooss aan bij de door de vele medewerkers opgezette expositie en zal ook na beëindiging hiervan nog vaak ingekeken worden. Soms is de verder prima uiteenzetting van het boek - dat ook een Engelse tekst heeft - van Federico Giudiceandrea aan de pathetische kant. Wat bijvoorbeeld te denken van: “Nieuwe, onconventionele en anti-intuïtieve wetenschappelijke theorieën, zoals de relativiteitstheorie en de kwantummechanica, hadden discussie opgeroepen over de euclidische opvatting van ruimte en de wetten van het wetenschappelijk perspectief…”  Verder een heerlijk (kijk)boek waaraan veel aandacht is geschonken!

Bert Sliggers en Jos van Waterschoot(red.): ‘Onder de toonbank. Pornografie en erotica in de Nederlanden’. Uitgeverij Van Oorschot. ISBN  978 9028 280 359.

In 1677 moet boekverkoper Timotheus ten Hoorn zich melden bij de schout waar hij verantwoording moet afleggen over de prenten die er in de ‘De dwaalende hoer’ afgebeeld staan. Het is de tijd waarin vooral boekhandelaren zelf nog boeken op de markt brachten. Uiteindelijk besluit de gerechtsdienaar dat de drukplaten gemaakt door Romeyn de Hooghe vernietigd zullen worden en dat Ten Hoorn een symbolische boete van één florijn boete moet betalen voor het bezit. De bestrijding van pornografie is dus wel degelijk een aandachtspunt van de Nederlandse autoriteiten. Gaandeweg de jaren worden de straffen aanzienlijk hoger. Zo wordt in 1691 Jean du Fresne gearresteerd en verhoord. In een herberg probeerde hij een doos ‘blauwboekjes’ te verkopen, erotische geschriftjes. Een boete van duizend gulden(!) en zes jaar verbanning zijn het gevolg.

Driehonderd jaar later verschijnen er tijdschriften, die in oplagen van meer dan 100.000 exemplaren over de toonbank gaan. Wat dus ooit schoorvoetend begon, onder de toonbank,  groeide uit tot een ware industrie aan seksbladen, die met name bij de sigarenboer open en bloot te verkrijgen waren.

De veranderingen aangaande de erotische bladen  was bekend bij MuseumMeermanno, zodat zij in samenhang met de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam en de Koninklijke Bibliotheek materiaal vergaarden. Met datgene wat ze zelf hadden werd een afwisselende expositie opgezet, waarbij een catalogus vanzelfsprekend niet mocht ontbreken. Experts op het gebied van de erotiek, “seks”, werden aangetrokken, die ieder gedeeltes zouden beschrijven. Het resultaat is een lijvig boekwerk geworden in full colour dat op wetenschappelijke wijze, maar onderhoudend, de afgelopen eeuwen de revue laat  passeren. Zo zijn daar Inger Leemans en Han van der Vegt, die de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw in beeld en geschrift belichten. Beschrijft Marita Mathijsen van wie onlangs de prachtige Jacob van Lennep Biografie verscheen (‘Een bezielde schavuit’ ) de negentiende eeuw, en Bert Sliggers de twintigste eeuw alsmede koloniale pornografie. Homo-erotica van Theo van Os, blanke slavinnen van Ewoud Sanders, lesbische pornografie van Connie van Gils en strips van Jos van Waterschoot maken de rest van het lijvige boek uit. 

Het is Peter Muller, die in zijn inleiding de roerige jaren zestig verbeeldt, de jaren waarin hij - “beter langharig dan kortzichtig!” - de beatgeneratie aanvoert. De jaren waarin ‘Hitweek’ en ‘Aloha’ progressief Nederland bedienen. En de jaren waarin hij zelf het predicaat ‘seksbaron’ opgespeld krijgt wanneer hij in de kortste tijd seksblad ‘Candy’ het duizelingwekkende aantal van 100.000 exemplaren laat behalen…

Het is interessant om te lezen en te bekijken wat en hoe de pornografie zich in de loop der tijden ontwikkelde. In etsen, foto’s in zwart-wit, de kunst, enzovoorts. Echter ook de schrijvers, die zich de woede op de hals haalden zodra de lezers het geschrevene te aanstootgevend vonden…

Liefhebbers van de lay-out van een boek, getekend, dan wel gefotografeerd, zullen smullen van de afbeeldingen, die ontwerpers en tekenaars ervoor maakten. Soms heel dilettantistisch, dan weer meer professioneel zoals de omslagen die Hans Borrebach en Henri Pieck, de broer van Anton, maakten of Moriën, die honderden detectives, cowboy- en eroticaromans van omslagen zou voorzien. 

Jos van Waterschoots bijdrage ‘Strips voor volwassenen’ in de jaren zeventig beschrijft onder meer de opkomst van de illegale strips waarin eerzame stripfiguren als Kuifje, Suske en Wiske en de Smurfen plotseling op het sekspad gingen. Veelal abominabel getekend en gemaakt zonder dat de scheppers van deze helden er ook maar een cent voor kregen… Echter ook de erotisch getinte strips van Fred de Heij, Hans Borrebach, Theo van den Boogaard, Dick Matena en Hans van Oudenaarden worden uitvoerig belicht.

Dat er ook geluidsdragers werden uitgeven in de jaren zestig en zeventig, waarin seks prevaleerde , zoals de lp’s, die werden uitgebracht op het Ojee-label van Johnny Hoes, die  voorzien waren van vaak zeer erotische hoezen blijft in het boek onvermeld.

Een fijn kijk- en leesboek, fraai vormgegeven over een nog altijd precair onderwerp dat op integere wijze is uitgebracht!

Koos Schulte

Fries Museum, Leeuwarden: ‘Escher op reis’. Tot en met 28 oktober 2018.

Museum Meermanno: ‘Onder de toonbank, pornografie en erotica in de Nederlanden’. Tot en met 24 juni 2018.


Auteur

Koos Schulte