Recensie | De Daf van mijn vader

Joure

Wanneer de Daf-vrachtwagenproductie in de vroege jaren vijftig op gang komt, schaft directeur Hub van Doorne (1900-1979) zich een fijne 'Amerikaan' aan: een Buick.

De automatische versnellingsbak in deze auto is voor hem  zo’n genot, dat hij op het idee komt in Nederland een personenauto op de markt te brengen, die voorzien is van hetzelfde comfort. Het resultaat was dat er vanaf 1959  honderdduizenden, vooral oudere rijders, met hun Daf 600 erop uit zouden trekken. De Nederlandse “volksauto” was geboren. 

Thomas Vaessens: ‘De Daf van mijn vader’. Uitgeverij Atlas Contact. ISBN 978 90 450 3598 7.

In de inleiding memoreert Vaessens de foto van Ed van der Elsken uit 1967 waarop we drie zelfbewuste jonge vrouwen, in minirok in de Amsterdamse Beethovenstraat zien flaneren.  Op de achtergrond zien we een kever, een lelijke eend en een Daf, de meest iconische Europese auto’s van dat moment bijeen.

Vervolgens schetst de auteur De Peel, de streek die de bakermat zou worden van de Daf-personenauto’s.

23 maart 1959

Het zijn jonkheer M.Smits van Oyen van Eckart, de voorzitter van de Koninklijke Nederlandse automobiel Club en mevrouw T.Smulders-Beliën, de eerste vrouwelijke burgemeester van Nederland, die zich in het voorjaar van 1963 de trotse eigenaar mogen noemen van een Daf 600, hun aangeboden door de directeur.  Toch krijgt de automatisch aangedreven auto het lastig.  Consumenten dachten te maken te krijgen met een ‘kleine Amerikaan’, maar zagen plotsklaps een ‘vrouwenauto’. Het waren dan ook aanvankelijk vooral de mannen, die massaal afhaakten van de auto met “het pientere pookje”. In later tijd zouden het dan ook vooral de oudere rijders zijn, die een Daf 600 aanschaften in tegenstelling tot bijvoorbeeld volkswagen en lelijke eend, die het imago van “jong” opgespeld kregen.

De Verenigde Staten

Dacht de directie van Daf aanvankelijk nog dat de Amerikaanse markt geïnteresseerd zou zijn in de “Daffodil”, klein en handig schakelend, de Amerikanen hielden het toch liever bij meer robuuste auto’s. Bovendien stelde de Amerikaanse regering in juni 1967 strengere importregels vast, zodat het Amerikaanse avontuur als mislukt kon worden beschouwd.

Boeken die de Daf-600 zouden propageren

Eind jaren vijftig zouden er enige titels uitkomen van jongensboeken, waarin de Daf-600 een hoofdrol was toebedeeld. Zo was daar van Herman Pijfers, wiens pseudoniem A. van Aardenburg was, die  in 1957 ‘Bas Banning en de Daf-600’ publiceerde, een boek waarin de nachtelijke proefritten van de nieuwe auto veel aandacht wisten te trekken bij “vreemd volk”. G.H. van Maren schreef over zijn held Jef Farèl : ‘Jef Farèl test de YF 303’ waarin ook alles handelde over de in het geheim geconstrueerde Daf, die als codenaam YF 303 had meegekregen.  En dan was daar nog Georges Mazure, de jongere broer van striptekenaar Alfred Mazure ( ‘Dick Bos’), die voor de Regionale Dagbladpers zijn detectiveheldin Myra van Dijk een stripavontuur liet beleven. In haar Daf-600 zou ze haar eigenheid en onafhankelijkheid als vrouw vol verve onderstrepen.

1968: de Daf-fabriek in het Limburgse Born      

Op 27 oktober 1968 was het koningin Juliana, die met het overhalen van “een pienter pookje” de nieuwe Daf-fabriek in Born in gebruik stelde. Op deze wijze werd er tenminste een deel van de, dankzij de sluiting van de mijnen, werkloze mijnwerkers te werk gesteld. Overigens waren het slechts 3500 arbeidsplaatsen van de 75000(!) op straat gekomen mijnwerkers. Vaessens schetst een indringend beeld van de  teloorgang van de mijnen en zij die uiteindelijk in de Daf-fabriek aan het werk zouden komen. De mijnwerkers van voorheen waren veelal niet gelukkig met het fabriekswerk bovengronds. Mensen uit het buitenland moesten helpen, waarna het vooral Marokkanen waren, die hier als gastarbeiders werk zouden vinden. Hun onderkomen was aanvankelijk vaak een leegstaand klooster, dat eind jaren zeventig weer leegstaand werd door gezinshereniging en het betrekken van een gewone woning. 

Van Daf naar Volvo

In 1976 werd de autodivisie van Daf overgenomen door Volvo. Het laatste Daf-model dat nog in productiewas, de Daf-66, kreeg na de overname wat dikkere bumpers en een nieuw front met Volvo-logo, waarna er in een paar jaar nog iets meer dan 100 000 (!) exemplaren van de auto werden gemaakt. De auto, die voorbestemd was de Daf-77 te worden, zou er in 1976 komen: nu onder de naam Volvo 343.

De auto van mijn vader

In ‘De Daf van mijn vader’ heeft de auteur de moeizame opkomst en de uiteindelijke teleurgang van de Daf-personenauto op prettige wijze weergegeven. Wie onderbelicht zijn in het boek zijn de eigenaren. Zij die vol trots van hun Daf gebruikmaakten. Door het verhaal van zijn vader aan te halen, die er maar wat trots op was dat hij na Daf uiteindelijk een Volvo zou bezitten, verlevendigt Vaessens het verhaal na de vele historische feiten op een rij te hebben gezet. 

Ondergetekende had ook een vader, die zich na tien keer zakken chauffeur mocht noemen van een Daf-66.  Wanneer mijn vrouw en ik eens meereden, voelden we de meelijwekkende blikken op ons gericht van bestuurders, die ons vehikel voorbij zoefden… In hen zagen mijn ouders slechts “wegpiraten”. Ook mijn vader was supertrots toen hij in een donkerrode Volvo 343 kwam voorrijden… Dat er ook een tijdlang Dafs waren, die slechts 25 kilometer per uur mochten rijden, waarbij een rijbewijs niet vereist was, vermeldt de auteur niet.

Al met al een prettig lezend boek over de jaren waarin de landmacht gebruik maakte van de Daf-vrachtwagens en honderdduizenden particulieren iedere zaterdag vol trots hun Daf oppoetsten.

Koos Schulte


 


Auteur

Redactie