Recensie | Memoires van Ernst Jansz: de lange weg van ‘CCC Inc.’ naar ‘Doe Maar’ in ‘De Neerkant’

JOURE

Op 16 februari 1979 is een jongeman onderweg van het Brabantse dorpje Neerkant naar Hilversum waar hij een afspraak heeft met Willem van Kooten, alias Joost den Draaijer, disckjockey en platenbaas.

Het is een muzikant Ernst Jansz, die in de voorbije tien jaar bij meerdere bands gezeten heeft en nu met een 2-sporenband onder zijn arm de platencoryfee één en ander wil laten horen: een nieuwe band, die ska-, punk- en reggae-ritmes doet samengaan. En nog wel in het Nederlands! Ondanks dat de muzikant, zeker in het alternatieve circuit, naam gemaakt heeft met bands als ‘CCC. Inc.’, ‘De Slumberlandband’, ‘Rumbones’ en ‘Foolsband’ haalt Van Kooten de band al na vijftien seconden van het tapedeck. De woorden “Dat wordt niets” klinken nog lang na in het hoofd van Ernst. Van Kooten had weinig op met Nederlandstalige muziek: “Die is er al genoeg!” In zijn grote boerderij ‘De Neerkant’ teruggekeerd, wil Ernst niet bij de pakken gaan neerzitten. Stickers moeten er komen in vloekende kleuren, geel en oranje, roze en gifgroen. Iedereen moet zo met de naam van de band kennismaken: Doe Maar! En in het Nederlands moeten hij, Carel, Piet en Jan blijven zingen, hoe Den Draaijer er ook over denkt… In het nieuwe boek ‘De Neerkant’ heeft Ernst Jansz de jaren zeventig-tachtig uitgebreid beschreven. Zowel het muzikale aspect als zijn privéleven weet hij op integere wijze te beschrijven, de opmaat naar succes. Dat hierin ook Joure een kleine plaats is toebedeeld, is in dezen mooi meegenomen… Ook de geschiedenis van de manager van een band waar Ernst deel van uitmaakte CCC Inc. , Lennaert Nijgh (1945-2002) is te boek gesteld. Over de man, die wij beter kennen als de tekstschrijver van o.a. Boudewijn de Groot, schreef Peter Voskuil een boek met daarin verzameld de veelal onbekende, dan wel vergeten bijdragen van dit Haarlemse schrijftalent. Ernst Jansz: ‘De Neerkant. Kronieken 1970-1980’ (Bonus 2 cd’s). In de Knipscheer. ISBN 978 90 6265 948 7. In 1969 waren een aantal bandleden en aanhang neergestreken vanuit de Randstad in een oude boerderij in het Noord-Brabantse Neerkant. Daar zou in vrijheid en “rust” gewoond en gemusiceerd kunnen worden. Dat kon er inderdaad, hoewel de autochtonen in gedachten het seksleven van de personen in de voormalige boerenhofstede op de eerste plaats stelden en vervolgens … de muziek. Dat elk bandlid met vrouw of kind een eigen ruimte kende en het er minder wild aan toeging dan menigeen dacht, was hun onbekend. In ‘De Neerkant’ waarvoor tekenaar Peter van Dongen (illustrator van o.a. de graphic novel ‘Familieziek’ naar de roman van Adriaan van Dis) een prachtig omslag ontwierp, refererend aan “de kleuren van liefde” die destijds posters en lp-hoezen sierden, lezen we over Ernsts afwisselende leven, waarbij hij ook teruggrijpt naar zijn jeugdjaren. Omdat hij in 1985 voor zichzelf een boek, ‘De witte kamer’ had geschreven, waarbij hij zich verbeeld had ‘Estimo Jara’ te zijn, die in 2024 zou gaan terugblikken op zijn vijfenzeventigjarige leven, vond Jansz het interessant zijn “toekomstroman” van eertijds af te zetten tegen de gebeurtenissen, zoals die zich in het echt hadden voorgedaan. Ernst Jansz (1948) zit momenteel immers al bijna bij de leeftijd van zijn alter ego. Zo wisselen 23 Neerkant-hoofdstukken de 23 witte kamer-hoofdstukken af. Interessant, hoewel de lezer soms wel moet omschakelen vanwege de grote sfeerverschillen. Het leven op ‘De Neerkant’, de hippiejaren in de commune, en de opkomst van de beatmuziek, optredens, contracten, groupies, Maagdenhuisbezetting, het gaan naar grote popconcerten waar Bob Dylan en The Band optreden, maar ook het optreden zelf met folkband ‘CCC. Inc’. in Paradiso en op Popfestival Kralingen passeren de revue. Over zichzelf en zijn diverse relaties komt de lezer ook van alles aan de weet; het beschrijven van de ziekte van Mieke en haar uiteindelijke overlijden wordt erg integer en bewogen beschreven! Wanneer het samen alles delen en bijeen zijn de bewoners van De Neerkant uiteindelijk beknelt, valt de commune uiteen. Slechts Jansz blijft achter… Nieuwe groepen, zoals de ‘Slumberlandband’ ontstaan en stoppen. Om uiteindelijk plaats te maken voor ‘Doe Maar’, waarvan Ernst en Henny Vrienten de voormannen worden. Aardig is in dezen dat het live-dubbel-album van deze band, en destijds tevens het laatste album ‘Lijf aan lijf’, registraties bevat van het concert dat van Doe Maar in juni 1983 in Joure werd gegeven! Interessant zijn de twee cd’s welke aan ‘De Neerkant’ zijn toegevoegd. Op ‘De eerste jaren’ komen we de demo-opnamen tegen waarmee Ernst naar Joost de Draaijer ging, opnamen die later ten dele opnieuw geregistreerd werden voor de eerste Doe Maar-lp uit 1979. Ook de destijds door hen zo geliefde reggaemuziek komen we op een zestal extra nummers tegen. Op ‘De Neerkant’ komen we achttien songs tegen, die Ernst registreerde met diverse musici, waaronder slechts één CCC-lid van eertijds: Jaap van Beusekom. Prachtige teksten, schitterend verbeeld op muziek, maar tevens sec te lezen. Uiteraard persoonlijke teksten zoals ‘Ik was een hippie’ over de tijd op ‘De Neerkant’, maar ook over een liefde zoals ‘Barbara’. ‘De ballade van Sarina en Kromo’, ‘Als een mantel’ en het actuele ‘Meester van het geld’ zijn voor mij de onbetwiste hoogtepunten. ‘De Neerkant’ is een zeer lezenswaardig boek dat de jaren zeventig-tachtig op interessante wijze weergeeft. De vele prachtige foto’s in zwart-wit maken het sfeerbeeld compleet! Peter Voskuil: ‘Ga met me mee. Zelfportret’. Uitgeverij JEA Amsterdam. ISBN 9789082471717. Na ‘Ik doe wat ik doe’ , de verzameling liedteksten van Nijgh uit 2000 in de serie ‘Pluche’, en ‘Testament, de biografie van Lennaert Nijgh’ uit 2007 van Peter Voskuil, zag laatstgenoemde het als een must hieraan nog een derde deel toe te voegen met overwegend proza en onbekend gebleven poëzie van de schrijver. Voskuil omschrijft Lennaert Nijgh als “een wandelende camera, die zijn leven registreerde en regisseerde om het vervolgens van het begin tot het einde op papier vast te kunnen leggen.” Zo stelt hij dat kleuter Lennaert zijn oma verhalen dicteerde, die zij vervolgens opschreef, omdat hij nog niet de kunst van het schrijven verstond. Toen hij kon schrijven was het hek van de dam en zou hij uitgroeien tot, aldus Voskuil, de beste liedtekstschrijver van het land. Ook een roman, die weliswaar niet veel deed, ‘Tobia’, zou slechts eindigen bij ramsjzaak De Slegte. Als columnist voor het Haarlems Dagblad zou hij jarenlang publiceren om een hechte schare lezers op te bouwen. Een bloemlezing van zijn columns ‘Nog even en ik zie de hemel weer’ dat een jaar na zijn dood verscheen, zou slechts één druk beleven. Zonder dat Voskuil de pretentie had “het verzamelde werk” van Nijgh uit te brengen, had hij toch keus genoeg. Toen hij werkte aan de biografie van Lennaert had hij de beschikking over maar liefst zestien dozen vol obscuur dan wel onbekend werk. Lennaerts exen, zijn muze Boudewijn de Groot en anderen uit de omgeving van de schrijver hadden ook nog veel materialen en niet te vergeten de auteur zelf. De teksten gaan in de meeste gevallen vergezeld van een uitleg in de kantlijnen, bedoeld voor diegenen die expliciete uitleg nodig hebben. Het voordeel daarvan is dat zij, “die het weten” deze uitleg kunnen overslaan. De indeling Voskuil kwam tot een indeling van 100 stukken, die hij over vier chronologisch gekozen perioden verdeelde: ‘Ga met me mee, 1945-1966’, ‘De rook om ons hoofd, 1967-1970’, ‘Een huwelijk verder, 1971-1993’ en ‘Vlinders, 1994-2002’. Gememoreerd en aangehaald in ‘Ga met me mee’ vindt de lezer sprookjes, dagboeknotities, jeugdherinneringen, schoolkrantbijdragen, columns, brieven, faxen, onbekende liedteksten, niet eerder gepubliceerde poëzie, enz. Zo is het boek een “verlevendiging van de tijd” geworden, een tijdsbeeld dat evenals het eerder aangehaalde ‘Neerkant’ kan gelden als autobiografie, een stuk muziekhistorie én een kroniek van de seksuele revolutie. Kiest u zelf maar uit! Haarlemmers, muziekliefhebbers, poëzieliefhebbers en artiesten zullen genieten van dit boek van de auteur, die eind vorig jaar excelleerde met het muziekstandaardwerk ‘Dutch Mountains’ (zie: J.Courant etc. 17 december 2017). Evenals voornoemd boek is de lay-out en vormgeving weer subliem te noemen. Van het omslag waarop we Lennaert zien staan op zijn vertrouwde Solex, (van dezelfde makers ,die destijds de Puch hier op de markt brachten, hét vervoermiddel voor de alternatieve jeugd uit de jaren zestig!) tot aan het einde waarin we chronologisch zijn leven kunnen nagaan, is het omslaan van elke bladzij een heerlijkheid op zich. Nogmaals: een aanrader voor iedereen, die wel eens een tekst van Lannaert Nijgh gehoord dan wel gelezen heeft! Koos Schulte

Auteur

Redactie