Recensie | Dutch mountains, standaardwerk over Nederlandse platenindustrie

JOURE

In 1703 trad Joh.Enschedé toe tot het Haarlemmer boekdrukkersgilde. In de eeuwen die volgden zou het uitgroeien tot dé huisdrukker van de Nederlandse staat.

Sinds enige jaren is het Amsterdamse deel van de onderneming geheel zelfstandig. Dit jaar breidt het zijn uitgeefcapaciteiten uit op exclusieve non-fictie-uitgaven van formaat. Twee boeken zijn onlangs verschenen. Het doel van de uitgever, JEA geheten, is het uitgeven ven kwaliteitsuitgaven, die in het verlengde van de commerciële drukkerij liggen. JEA gaat ervan uit dat ondanks de moordende concurrentie in het digitale tijdperk bijzondere boeken, zelfs die in het allerhoogste prijssegment, gewild zullen blijven. Het allereerste boek dat onlangs bij JEA is verschenen: ‘Dutch Mountains, het ultieme standaardwerk over de Nederlandse platenindustrie’ is wat dat betreft meteen een klapper van formaat. In het vuistdikke boek beschrijft (freelance)journalist Peter Voskuil de totstandkoming van de vaderlandse populaire muziek, waarbij echter ook de klassieke producties zijdelings aan bod komen. Het product van vijf jaar intensieve research! Peter Voskuil: ‘Dutch Mountains, het ultieme standaardwerk over de Nederlandse platenindustrie’. Uitgeverij JEA (Joh. Enschedé Amsterdam). ISBN 978 90 824 7170 0. Het hier beschreven boek mag terecht een ‘koffietafelboek’ genoemd worden met zijn 730 pagina’s , zeldzame foto’s waaronder vele uit niet eerder ontsloten (privé)archieven, vele uitklapbladzijden, het formaat van 28 x 28 cm, en een gewicht van bijna vijf kilo! Liggend op tafel is het boek dan ook het gemakkelijkst leesbaar! Hoewel de titel lijkt te suggereren dat het alleen maar om platen gaat, is niet juist. Het gaat over geluidsdragers in algemene zin waarbij Voskuil het jaar 1878 als vertrekpunt neemt. De eerste fonograaf van Thomas Alva Edison arriveert dat jaar in Nederland waar het dankzij Maju op kermissen een ware sensatie wordt: “De Phonograaf spreekt, zingt, doet andere muziekinstrumenten horen…” In de eerste decennia van de twintigste eeuw komen er naast de vele buitenlandse grammofoonplaten Nederlandse opnamen, zoals die van Speenhof. Voskuil geeft op enerverende wijze de opkomst van zowel zangers, artiesten, platenlabels, en opnamestudio’s (anvankelijk meestal hotels) weer. Hij belicht de technische mogelijkheden van eertijds, maar ook de onvolkomenheden die zich voordoen op geluidstechnisch gebied. Met de opkomst van de radio in de roaring twenties komt de muziek onder de aandacht van velen, hoewel nog niet voor iedereen. Een radio met luidspreker kost immers wel zo’n 500 gulden! Welke platenlabels er waren, wie er de scepter zwaaiden en hoe de radio greep krijgt op het grammofoonplatenaanbod valt in de volgende hoofdstukken te lezen. Nederland krijgt er zijn eerste “popartiesten” bij zoals het dansorkest The Ramblers. De naargeestige oorlogsjaren ‘40-‘45 drukken ook hun stempel op de populaire muziek. Bordjes met teksten als: “Het is ten strengste verboden te swingen” zijn daar de getuigen van… Dankzij de bevrijding komt het amusementsleven weer volop op gang. Grammofoonplatenconcerns zitten ook niet stil en de breekbare 78 toerenplaat wordt vervangen door het “onbreekbare vinyl” van 45 en 33 toeren. In de klassieke wereld worden de hoezen aantrekkelijker gemaakt, bijvoorbeeld door het inhuren van fotograaf Paul Huf, die met fotomodel Ann Pickford op de cover de klassieke muziek-lp’s nieuwe verkoopimpulsen weet te geven. Naast de Jordaan-gekte (Johnny Jordaan, Tante Leen, enz.) zijn de producties van Johnny Hoes mateloos populair: Lenie en Ludwig, de Limburgse zusjes, enz. Geleidelijk aan komen de teenagerartiesten op. In het buitenland Elvis Presley en Bill Haley. Bij ons eerst de indo rockers zoals The Thielman Brothers en vervolgens The Blue Diamonds, Willeke Alberti, Rob de Nijs, Anneke Grönloh, Peter Koelewijn, enz. Hoe bepaalde opnamen tot stand komen: wie de artiesten waren, wie er in de begeleiding zaten, wie de producer was, enz. beschrijft Voskuil tussen de bedrijven door in de baanbrekende studio-opnamen. Veelal heerlijke inkijkjes! Ook de economie en het reilen en zeilen achter de platenindustrie worden blootgelegd. Zo waren het tot halverwege de jaren zestig ouderen die de dienst uitmaakten, anders gezegd die de platen produceerden dan wel het beleid bepaalden (vb. Johnny Hoes, Jack Bulterman) over wat en hoe iets uitgebracht moest worden! Met het opkomen van de “beatmuziek” komt het licht op groen te staan voor jongere producers zoals Hans van Hemert, Tony Vos, Tim Griek, Peter Koelewijn en Freddy Haayen. Muziek, die gepaard gaat met stunts: The Q 65 die met een rubberboot landt bij Scheveningen, Popartband Het waarvan de leden in een bed op de Dam gaat liggen, enz. Voskuil schetst teven opkomst en ondergang van de commerciële zeezenders, zoals Veronica, en de populaire muziekbladen voor de jongeren zoals Muziek Express, Teenbeat en Tuney Tunes. Zo krijgt alles zijn beslag in ‘Dutch Mountains’, waarbij de titel refereert aan de hit van The Nits uit 1987: de tijd waarin het Grand Gala du Disque heel Nederland aan de buis kluistert, de jaren waarin Golden Earring, George Baker, Shocking Blue en Stars on 45 de Amerikaanse hitparade bestormen. Veel aandacht ook voor de Nederpop van Doe Maar, Toontje Lager en Het Klein Orkest, gevolgd door de opkomst van cassettebandjes en compact disc, ofwel de cd. Geen item heeft Voskuil onvermeld gelaten: De bladmuziek, de Nederlandstalige muziek, waaronder het levenslied tot op heden, maar ook de jongste ontwikkelingen, downloaden, online streaming, enz. En… de glorieuze terugkeer van het vinyl! Met een dergelijk uitvoerig boek zijn er altijd zaken, die je graag diepgaander behandeld had willen zien: waarom is de rol van producer Tony Vos (o.a. Oscar Benton, Rob Hoeke, Bintangs) niet iets meer uitgewerkt. Waarom is er nauwelijks aandacht voor de meest legendarische bluesband die ons land ooit kende: Cuby + Blizzards? En waarom bijvoorbeeld niet iets meer aandacht voor de independent-labels Excelsior (Johan, Tim Knol, Daryl Ann, enz.) of voor Brinkman (Betty Serveert, Julia P.Hersheimer, enz). Echter, zo kan iedereen items aandragen, die zijns of haars inziens nog toegevoegd hadden kunnen (moeten) worden, maar ik begrijp dat de schrijver keuzes heeft moeten maken. Het is immers fenomenaal wat de auteur boven water heeft weten te halen! Voor deze uitgave hield Voskuil maar liefst meer dan 200 interviews met platendirecteuren, managers, studiotechnici, producers, pluggers, dj’s, muziekuitgevers, sessiemuzikanten en artiesten. Het resultaat is een schitterend boek, ‘Dutch Mountains’ dat zonder meer encyclopedie genoemd mag worden omdat het de muziekgeschiedenis in Nederland in al zijn geledingen weergeeft. Naast de pakkende interessante teksten is ook het beeldmateriaal zeer divers. Grammofoonplaathoezen, fanfoto’s zoals die van Peter Koelewijn, en foto’s van studio’s, platenzaken, enz. Een dubbel gevoel krijg je wanneer je de interieurfoto’s ziet van Poortmusic in Leeuwarden, een zaak waar veel Friezen met warmte aan terug denken. Momenteel houdt deze zaak opheffingsuitverkoop… Een boekwerk dat in ons taalgebied zijns gelijke niet kent! Koos Schulte

Auteur

Brenda van Olphen