Recensie | Legendarische strips terug van weggeweest: Jan Kordaat en Roodbaard

SNEEK

Na beëindiging van de Tweede Wereldoorlog brak er een periode aan waarin iedereen de tering naar de nering moest zetten. De mogelijkheden tot vermaak waren beperkt; televisie was er nog nauwelijks en bioscopen kostten geld, zoveel geld dat een uitje hiernaar toe vaak tot een minimum beperkt bleef.

In deze tijd van wederopbouw kwam echter stormenderhand een nieuw fenomeen opzetten: het striptijdschrift. Naast de vervolgstrips, die gaandeweg een grotere plaats kregen toegewezen in de krant werden ook bladen, die soms al enige jaren bestonden populairder dan ooit. ‘Kuifje Weekblad’(1946) en ‘Robbedoes’(1938) behoorden tot de absolute top in de stripbladenwereld. Later zouden ‘Donald Duck’ (1952), ‘Sjors van de Rebellenclub’( 1954) en ‘Arend’(1955) eveneens hun graantje meepikken in de populariteit bij de jeugd. Bladen als ‘Ons Volkske’, ‘Ketelbinkie Krant’, ‘Robs Vrienden’ enz. laten we in dit bestek maar even achterwege omdat de oplagen kleiner waren en deels streekgebonden. Ook de pas veel later opgerichte jeugdbladen ‘Pep’(1962) en ‘Tina’ (1967) laten we hier even achterwege. Ieder tijdschrift had zijn eigen helden, die enige tijd na publicatie in boekvorm uitgebracht werden. Voorbeelden te over: ‘Archie de man van Staal’, ‘Alex’, ‘Jerry Spring’, ‘Blake & Mortimer’, ‘Pom en Teddy’, ‘Sjors en Sjimmie’, ‘Corentin’ , ‘Jan Kordaat’, Flip Flink’,… te veel om op te noemen. Het waren series, die destijds mateloos populair waren. Gaandeweg de tijd zou hun populariteit gaan tanen. Series waren afgelopen, stripbladen gingen teloor… Momenteel wordt er in de archieven van een aantal van voornoemde jeugdbladen naarstig gezocht naar series van voorheen. Series die jarenlang niet meer verkrijgbaar waren, waarbij het in heel veel gevallen of om de eerste delen dan wel om de laatste delen van een serie gaat. Liefhebbers, noem ze “verzamelaars” , zijn momenteel maar wat blij met de heruitgaven van bijvoorbeeld ‘De Beverpatroelje’, ‘Jerry Spring’ en ‘Guus Slim’ (uitgeverij Arboris). Uitgeverij Scratch blaast de avonturen van speurder ‘Jan Kordaat’ alsmede die van woelmuis ‘Chlorophyl’ nieuw leven in, Don Lawrence Collection komt met ‘Professor Palmboom’, terwijl uitgeverij Sherpa gestaag doorgaat met het uitbrengen van de avonturen van ‘Ravian’ en ‘Roodbaard’. In veel gevallen zoals bij de onlangs verschenen banden van ‘Jan Kordaat’ en ’Roodbaard’ levert een bijgeleverd dossier informatie welke liefhebbers doet watertanden. Fotomateriaal, afbeeldingen van boeken, schetsen, enz. , “the making off”, zijn hierbij dé trekpleister om de delen aan te schaffen. Telkens banden waarin enige verhalen gebundeld zijn. In vroeger tijd zou men deze de naam “omnibus” gegeven hebben! Met de nieuwe delen ‘Roodbaard 8’ en ‘Jan Kordaat 2’ is het weer volop smullen geblazen! Paape, Doisy & Delporte: ‘Jan Kordaat integraal 2. 1946-1950’. Uitgeverij Scratch Amsterdam. ISBN 978 94 92117 53 3. Begin 1946 raakt Jijé, de illustrator die ‘Jan Kordaat’ al in de oorlogsjaren populair maakte (zie band 1 bij Scratch: ‘Jan Kordaat integraal 1’. 1941-1946)in grote moeilijkheden. Hij heeft zich verkeken op de tijd, die hij nodig heeft om voor de katholieke uitgever Dupuis zijn megaproject ‘Emmanuel’ af te ronden, de bewerking van evangeliën tot stripverhaal. Daarnaast is hij begonnen zijn ‘Don Bosco’-stripbiografie uit 1943 om te werken. Hij voelt zich als tekenaar een stuk bekwamer dan voorheen, vandaar. Zijn samenwerking met scenarist Jean Doisy verloopt ook veel stroever, zodat hij besluit een punt te zetten achter Kordaats avonturen. Bovendien ziet de naoorlogse lezer in Jan Kordaat niet meer de strijder, de avonturier uit de oorlogsperiode… Uitgeverij Dupuis ziet met lede ogen het stoppen van ‘Jan Kordaat’ aan, het toch o, zo geliefde strippersonage, en denkt na over een opvolger van Jijé. Die wordt spoedig gevonden in de persoon van Eddy Paape (1920), een tekenaar die tot 1943 deel uitmaakte van het Luikse tekenfilmbedrijf CBA. In dat jaar legde een grote brand de studio in de as en belandde Eddy in het ziekenhuis waar verpleegster Laurette hem liefdevol verzorgde, zo liefdevol dat ze twee jaar later zouden trouwen. Toen de studio heropgericht werd in Brussel was Eddy chef Animatie geworden. Hij kreeg de opdracht beginnende tekenaars aan te werven: Franquin, Morris en Peyo waren zijn keus… Nadat de eigenaar van de studio, Paul Nagant, in de zomer van 1945 gearresteerd werd op verdenking van collaboratie, werd de studio gesloten. Niet veel later werd Paape gevraagd door Dupuis om Jijé terzijde te staan. Later zou hij ook zijn vrienden aanprijzen bij dit bedrijf met als uiteindelijke gevolg dat Guust Flater, Lucky Luke en de Smurfen op de tekenstudio aldaar geboren konden worden! Na korte tijd stopt Jijé met ‘Jan Kordaat’ waarop Eddy de eindverantwoordelijke wordt voor deze strip. Met scenarist Doisy maakt hij eerst een drietal korte strips, die aantonen dat de tekenaar over talent bezit, maar nog niet meer dan dat. Van 1947 tot en met 1949 maakt Eddy een eigen ‘Jan Kordaat’, die maar liefst 86 pagina’s beslaat: ‘Jan Kordaat speurder’. Het verhaal is wisselend van kwaliteit en toont aan dat schrijven niet Eddy’s specialiteit is. Uitgeverij Dupuis contracteert vervolgens de kunstzinnige Yvan Delporte als scenarist voor ‘Jan Kordaat’. De verhalen hebben meteen meer body en na 97 platen maakt Delporte al deel uit van de Robbedoes-redactie. Alle zes verhalen welke Paape tot en met 1950 maakte zijn verenigd in deze bundel. In de te verschijnen band 3 van ‘Jan Kordaat integraal’ staan de verhalen waarmee Paape doorbreekt, verhalen, die de aanzet zijn van een zeer succesvolle tekenperiode, waarover later meer. De in deze bundel gepubliceerde verhalen zijn nooit eerder legaal uitgebracht, vanwege het ongeregelde aantal pagina’s en de wisselende verhaal- en tekenkwaliteit. Liefhebbers van Paapes eigen latere strips ‘Luc Oriënt’, ‘Reporter Flip Flink’ en ‘De verhalen van oom Wim’, en zij die van echte avonturenverhalen houden, zullen smullen van deze kloeke band , die een stuk welhaast vergeten stripgeschiedenis op erg onderhoudende wijze onder ieders aandacht brengt! Jijé, Lorg & Charlier: ‘Roodbaard. De schrik van de Zeven Zeeën 8’. Uitgeverij Sherpa Haarlem. ISBN 978 90 8988 112 0. In de inleiding van ‘Roodbaard integraal 8’ wordt gesteld dat Jijé lange tijd schandalig is genegeerd, maar dat mede dankzij de meerdere integrale uitgaven (‘Jerry Spring’ en de hierboven aangehaalde ‘Jan Kordaat’) iedereen weer kennis kan maken met zijn veelzijdige oeuvre. Na het afscheid van Victor Hubinon vond scenarist Jean-Michel Charlier niemand minder dan Jijé bereid de ‘Roodbaard’-serie te continueren. Eind 1966 had deze al eens enige Roodbaard-platen getekend, toen Hubinon zijn arm gebroken had bij een auto-ongeluk. Hubinon werd terzijde gestaan door ene Lorg, waarbij we nu weten dat dit zijn zoon was. De beide verhalen die vader en zoon maakten, ‘Het hellevuur’ en ‘Het eiland van de verdwenen schepen’ verschenen in het Nederlandse taalgebied gedurende de jaren 1979-1980 in ‘Wham!’, in Duitsland ‘Zack’ en in Frankrijk ‘Super As’ geheten. Enige fraaie series waaronder ‘Blueberry’, ‘Roodbaard’, ‘Tanguy en Laverdure’ en’Jeremiah’ hadden het weekblad niet van de ondergang kunnen redden… In de 46 pagina’s lange inleiding van dit deel is het vooral het interview met Laurent Gillain, alias Lorg, dat ons inzicht geeft over het ontstaan en de werkwijze van vader en zoon. Jijé, die vooral dankzij de western ‘Jerry Spring’ een groot publiek zou aanspreken, vond het een uitdaging ook een kaperstrip op te zetten. Die avonturen omschreef hij als ‘westerns op zee’. De verhalen werden getekend in een door hem zelf gebouwd atelier in Draveil, nabij Parijs. In één dag werkte hij met potlood een plaat uit, inclusief de decors. Zijn fenomenale visuele geheugen, aldus de zoon, was daarbij zijn grote kracht. Het was Lorg die van zijn vader opdracht kreeg documentatie te vergaren. Maquettes gemaakt door Lorg ondersteunden hem daarbij. Om zijn zoon het vak te leren, kreeg Lorg, die toen 23 was, de opdracht de platen te inkten. Zelf vertelt de laatste daarover dat hij het inkten onder de knie kreeg; maar het tekenen….allerminst. Na het overlijden van zijn vader in juni 1980 voltooide Lorg ‘Het eiland van de verdwenen schepen’. Hij zegt daarover: “Het was een hel. Pas rond die tijd werd mijn tekenwerk acceptabel, en nog veel later… begon ik pas echt goed te tekenen…” om te concluderen: “Na voltooiing van plaat acht van ‘De vermisten van de Zwarte Valk’ overleed mijn vader. Ik was niet in staat om mijn eigen verwachtingen en die van tekstschrijver Jean-Michel Charlier, waar te maken. Zodoende ben ik met de strip gestopt”. Christian Gaty zou vervolgens als tekenaar de serie voortzetten, waarover in de volgende bundeling meer. In de twee verhalen welke we in dit deel te lezen krijgen bedenkt piraat Roodbaard zijn zoveelste list om zijn tegenstanders om de tuin te leiden. Op ‘De Zwarte Valk’ zijn het verder Roodbaards pleegzoon Erik, zijn luitenanten Driepoot en Baba en 220 taaie kerels die voor geen kleintje vervaard zijn. Toch komt Roodbaard aan het eind in grote problemen te verkeren, en of hij zich er ook nu uit weet te redden is nog maar de vraag! Wederom een prachtige bundeling piratenverhalen, fraai ingekleurd en geletterd waarmee we weer jaren toe kunnen! Koos Schulte

Auteur

Brenda van Olphen